
Het seizoen zit erop. Na een 5e plaats in februari, eindigen we roemloos 10e. Net als de resultaten, brandde het plezier op de tribunes langzaam op tot supporters net als de veelbesproken nachtkaars afgestompt en uitgeblust de zomerstop in kringelden. Dat is overigens niks om depressief van te worden. Voor de Spartanen wiens levenslicht dit seizoen doofde, is het pas écht donker. Wij beginnen in augustus gewoon weer aan een nieuw seizoen, zij niet. Tenminste, niet in fysieke vorm. Halverwege dit seizoen schreef ik voor Kasteelnieuws al eens over de eeuwige tribunes. Gezien de vele overlijdensberichten de afgelopen weken, voelde ik de behoefte dat artikel nog eens te delen. Ik hoop dat hun nabestaanden troost putten uit dit verhaal en de gedachte dat het stoeltje naast hen volgend seizoen misschien toch niet helemaal leeg is.
De liefde voor een voetbalclub laat zich moeilijk kwantificeren. Het is net als iedere andere vorm van emotie: irrationeel en ongrijpbaar, maar altijd diep persoonlijk. Waarom proberen supporters die affectie dan toch steeds in cijfers uit te drukken? Of het nu gaat om de gespendeerde decennia op de tribune of het aantal gereden kilometers naar een uitwedstrijd, we zoeken constant naar een eenheid om onze betrokkenheid aan af te meten. De ultieme vorm van loyaliteit is echter niet te vangen in een getal. Het is namelijk een cijfer dat niemand kent. Het is de belofte van levenslange dedicatie. Hoe lang die ons ook gegeven moge zijn. Want Spartaan, dat ben je voor het leven.
Maar is dat eigenlijk wel zo? Is de liefde voor Sparta, net als het leven, vergankelijk? Wie Het Kasteel rondkijkt is geneigd te denken van niet. Drie van de vier tribunes zijn vernoemd naar helden van weleer. De ‘Wall of Fans and Legends’ herinnert ons iedere twee weken aan de talloze supporters die niet langer onder ons zijn. De urn van Tonny van Ede is zelfs ingemetseld in de tribune die zijn naam draagt. We doen er alles aan om zij die van de club hielden, van wie wij hielden, op een bepaalde manier bij ons te houden. Rood-wit gaat immers nooit verloren. En daar kan zoiets lulligs als doodgaan toch zeker niets aan veranderen? Nee, misschien is clubliefde wel net als getallen zelf: oneindig.
Tweede ring
De oneindigheid van die liefde toonde zich dit seizoen op een gure zondagmiddag in november. Sparta had net verloren van AZ. De spelers maken plichtmatig hun rondje langs de tribunes. De regen in het shirt, de pest in het lijf. Twee van hen nemen halverwege de Kasteel-tribune plots een afslag en springen over de boarding. Vaste tribuneklanten weten meteen wat er aan de hand is. Zwijgend kijk ik toe als de spelers op de foto gaan met een man in een ziekenhuisbed en de ambulancebroeders die hem begeleiden. Vaak wordt op dit soort momenten ‘Sparta till I die’ gezongen vanuit het hoekvak. Dit keer registreer ik het niet eens. De tederheid van het moment emotioneert me.
Ik ken de naam van deze Spartaan niet, maar het is meteen duidelijk dat de club een belangrijke rol heeft gespeeld in zijn leven. En net zoals hij afscheid neemt van zijn familie, van oude vrienden en collega’s, zegt hij hier waarschijnlijk ook zijn laatste vaarwel tegen de oude dame. Spartaan tot aan zijn laatste snik. Terwijl ik dit schrijf, vraag ik mij af of hij nog onder ons is, of dat zijn clubliefde nu voortleeft in zijn kinderen en in de herinneringen van zijn maten. Misschien troosten zij zich met de gedachte dat hij voortaan meekijkt vanaf een andere plek. Kijken zij zelf straks af en toe omhoog tijdens de wedstrijd, zich afvragend of hij bij hen is. Want misschien, heel misschien, heeft Het Kasteel al lang een tweede ring. Een die zo hoog ligt dat je hem met het blote oog niet kunt waarnemen.
She’ll be watching
Ik ontdekte de eeuwige tribunes toen ik als twintiger met vrienden een wedstrijd van Queens Park Rangers bezocht. Met vier vers gekochte tickets op zak, zaten we een dag voor de wedstrijd in een pub naast het stadion. We raakten in gesprek met een vriendelijke oude man. Hij bleek Dave te heten en deed uit beleefdheid net of hij van Sparta had gehoord. We luisterden ademloos naar de verhalen over zijn Ierse vader, die hem als vijfjarig jongetje meenam naar Loftus Road. De ochtend erop zou QPR voor het eerst in vijftien jaar weer een wedstrijd in de Premier League spelen. Maar zodra dit historische moment ter sprake kwam, sloeg de sfeer volledig om.
Dave’s vrouw bleek pas te zijn overleden. Ze werkte bij de club en zat ruim 25 jaar naast hem op de tribune. De volgende dag zou hij voor het eerst zonder haar gaan. ‘It’s very hard you know’, fluisterde hij terwijl de tranen via diepe rimpels in zijn oude gezicht naar beneden gleden. Ik kreeg direct een brok in mijn keel. Want wat zeg je tegen een man die twee grote liefdes had in zijn leven, de een was verloren waardoor hij niet meer van de ander kon genieten? Er zijn geen woorden die recht doen aan die pijn, maar niks zeggen is geen optie. Zo voelde het destijds tenminste. En dus stamelde ik voorzichtig: ‘She’ll be watching from above.’ Het voelde als een verschrikkelijk cliché, maar Dave leek er toch enige troost in te vinden. ‘I hope so’, zei hij met een schrale stem, terwijl hij zijn gezicht droogdepte met een katoenen zakdoek.
Tranen in Panenka
Dik tien jaar later dacht ik weer eens aan Dave en zijn vrouw daarboven. Dit keer was het mijn eigen vader die een ring hoger moest plaatsnemen. Trots stond hem niet toe om nog een allerlaatste keer in een ziekenhuisbed te gaan. En dus verbeet hij zich maanden voor het einde nog eenmaal op de tribune. Dit keer niet vanwege het dramatische spel dat Sparta op de mat legde, maar vanwege de pijn in zijn lijf. Sparta kwam uiteraard op achterstand. Normaal zou hij zich op zo’n moment heerlijk opwinden en het hele elftal tot amateurs devalueren met een even simpel als genadeloos ‘prutsers!’ Dit keer keek hij zwijgend naar het veld en af en toe opzij naar mij, naar alle waarschijnlijkheid beseffend dat ook hij afscheid nam van Het Kasteel. Sparta won die avond met 4-1 van VVV, maar degradeerde uiteindelijk toch.
Daarna was Sparta nooit meer hetzelfde. Uit plichtsbesef bleef ik gaan, maar zelfs een uitverkochte tribune voelde leeg. Sparta ploeterde het seizoen erop naar een tweede plaats en vervolgens de finale van de play-offs tegen eredivisionist De Graafschap. De return in Doetinchem werd gespeeld op 28 mei, de verjaardag van mijn vader. Het moest kennelijk zo zijn. Nagelbijtend voor het grote scherm van sportbar Panenka, dacht ik terug aan die wedstrijd tegen VVV. Sparta kon weer terugkeren, mijn vader niet. De degradatie uit het leven is definitief. Terwijl Sparta op voorsprong kwam en de minuten wegtikten, keek ik stiekem toch even naar boven. ‘Zie je het pa? Ze gaan het flikken.’ En ze flikten het ook. Toen Adil Auassar in de 83e minuut mijn vaders verjaardagscadeau binnenkopte, was ik degene in de pub die de tranen uit zijn gezicht wreef.
Samen
Inmiddels heb ik zelf een zoontje. Mijn grootste verdriet is dat hij en mijn vader elkaar nooit zullen kennen. Vergeet wat dat betreft de KNVB-beker, vergeet Europees voetbal en vergeet zelfs de droom van een onwaarschijnlijk kampioenschap. Ik zou alle toekomstige successen zonder na te denken inruilen voor één moment samen op de Denis Neville. Zelfs als dat moment een 0-1 nederlaag tegen AZ is op een koude zondag in november. Want ook ik troost me met de gedachte dat mijn vaders clubliefde voortleeft in mij en de wetenschap dat als ik mijn zoontje over een aantal jaar aan de hand meeneem naar Het Kasteel, we op een ongrijpbare manier toch een beetje met zijn drieën zijn.
Jurn Quadt
Meer van dit soort verhalen, interviews en columns lezen? Word lid van ‘De Sparta Supporter’ en ontvang zes keer per jaar het magazine Kasteelnieuws.